Digitale collega

Een stap verder dan de aparte kanalen, gaat een digitaal zorgnetwerk zoals MijnZorgNet. In de kern is het een samenwerking online tussen de patiënt en al zijn hulpverleners en wie hij bij zijn gezondheid wil betrekken. De huisarts, de fysiotherapeut, de buurvrouw.
De mogelijkheden van MijnZorgNet intrigeren me, ik wil weten of het passend kan zijn voor Jeugdgezondheidszorg.
MijnZorgNet is ontwikkeld voor de curatieve zorg, met het oog op chronische patiënten of langdurige contacten tussen een patiënt en zijn netwerk van zorgverleners. Hebben we binnen de Jeugdgezondheidszorg met de meeste ouders en kinderen kortdurend contact, of juist langdurig? We hebben wel veelvuldig contact, immers gedurende de eerste 19 jaar van het leven zien we zeker 85% van de kinderen zo’n 14 tot 18 keer. Je zou in de beleving van samenwerking kunnen stellen dat we in ieder geval in de eerste vier jaar, waarin de meeste kinderen een vast consultatiebureau bezoeken, veelvuldig contact hebben. Ouders zien met hun kind veelal dezelfde jeugdarts en jeugdverpleegkundige. Na de leeftijd van vier jaar zien we kinderen nog maar een keer of drie, maar áls we ze vaker zien is het gebruik van een netwerk waarschijnlijk juist zinvol. Dan is er vaak sprake van individueel gestelde gezondheidsdoelen of verwijzing naar derden (therapeuten of specialisten) en dus sprake van complexe communicatie.

Maar goed, soms moet je dingen niet op je zolderkamer uitdenken, maar gewoonweg aan de slag gaan en uitproberen. Ontdekken of het wat is. Juist door dat te doen, door contact te zoeken met MijnZorgNet, ontdekte ik collega’s in het veld van de Jeugdzorg, die dezelfde vraag hadden. Zelfs een collega op een steenworp afstand. Aldus zijn we samen aan het uitzoeken hoe we stappen verder komen. Weer heeft dit niet direct te maken met onderzoek, al zou dat een van de wegen kunnen zijn. Onderzoek als middel of doel? Hoe dan ook ben ik nieuwsgierig hoe een en ander impact zou hebben op wat we doen en wat we er mee bereiken.

Tegelijkertijd ben ik binnen mijn GGD nu betrokken bij een groepje dat onze eHealth activiteiten in kaart brengt. Daarna willen we uiteraard aan de slag met het uitbreiden ervan, wie weet komt bovenstaand idee dan aan bod. En die sociale dingen van het vorige stukje, het één sluit het ander niet uit. Juist wegens de individuele wensen van alle mensen, zou je als organisatie de flexibiliteit moeten ontwikkelen om ieder op zijn eigen moment en manier te ontmoeten.

Een jaar geleden was dit nog niet in beeld. Terugkijken is best lekker, zeg.

Advertenties

Sociale dokter

Van ouders weten wat ze eigenlijk van Jeugdgezondheidszorg zouden willen, dat wil ik weten. Dat wilde ik een jaar geleden weten, en nu nog steeds.
Om daar achter te komen, moet je met ouders in contact komen, met hen kunnen praten. Op een moment dat ze niet van je afhankelijk zijn, en vrij kunnen antwoorden.
Met vragenlijsten die worden ingevuld door ouders die bij ons zijn geweest bereik je een deel, of een subgroep van ouders.
Met vragenlijsten die je opstuurt en die worden terug gestuurd door sommige ouders, bereik je weer een andere groep.
Ik heb een hekel aan vragenlijsten. Zowel aan het invullen als aan het ‘uitzetten’ wegens onderzoek. Ik weet niet precies waarom, maar het is zo.
Met vragenlijsten bereik je alleen mensen die geen hekel hebben aan vragenlijsten. En mensen die ze vanwege sociale wenselijkheid toch invullen, zoals ik, waarvan je je weer kunt afvragen wat je er dan aan hebt.

Nog liever dan weten wat ouders desgevraagd van ons zouden willen, zou ik willen dat ze ons op ieder moment weten aan te spreken. Ik wil ouders bereiken, maar ik wil ook dat ouders mij en ons weten te bereiken. Ik wil dat jeugdgezondheidszorg voor ouders en kinderen bestaat, en dus ook doet waar zij behoefte aan hebben. Jeugdgezondheidszorg is meer dan zorg op individuele basis, er is ook een collectief stuk. Een stuk pure preventie, zo zou je kunnen zeggen, waarbij we proberen zaken te voorkomen nog voor iemand zich met die problemen identificeert. Als het je lukt om op de een of andere manier echt met ouders in contact te zijn buiten de spreekkamer om, dan zou je ook voor dát stuk jeugdgezondheidszorg de ideeën van ouders mee kunnen nemen in je plannen.

Contact, communicatie, samen doen. Daar gaat het dus om, bij participerende zorg.
Zoveel verschillende ouders, nog meer verschillende kinderen, en zeker zoveel verschillende JGZ-professionals. Er zal dus niet één oplossing zijn. Vragenlijsten, okee. Maar daarnaast emailcontacten, thema-avonden, ideeënboxen, een Facebookpagina, struinen over ouder-forums, tweedehands informatie via leerkrachten, een Twitterkanaal.

Vragenlijsten is niet mijn ding. Thema-avonden misschien wel, maar volgens mij komen daar dezelfde mensen die ook vragenlijsten invullen.
Facebookpagina’s en Twitterkanalen is wel mijn ding. Dat is gewoon zo, ik vind het interessant, ik ben er graag, op de kanalen van de sociale media. Maar toch werd ik niet goed van de vraag “Zit je weer te twitteren?” zo gauw ik mijn telefoon pakte. Steeds meer was ik afgelopen jaar de facebookende, twitterende, gamende dokter. Ik wilde me loswurmen uit dat beeld.
Ik ben meer dan dat, en ik zie internet slechts als instrument, zo redeneerde ik ietwat zuur.

Als ik zo terugkijk, vind ik dat jammer, en onnodig. Door het hokje Twitterdokter voelde ik me te veel anders dan mijn collega’s. Terwijl dat ‘anders’ juist zo waardevol kan zijn, vind ik al snel als het om de kwaliteiten van een collega gaat.

Bovendien ben ik niet de enige, zo bleek afgelopen jaar. Ik ontmoette (via die sociale media) collega’s van andere GGD-en met dezelfde interesse, met ieder voor zich weer net andere toekomstbeelden. We zijn stapje voor stapje bezig ze uit te werken tot grotere mogelijkheden. Een landelijk Twitterkanaal voor JGZ? Een Facebookpagina voor mijn Centrum voor Jeugd en Gezin. Aanbod van emailcontacten bij verschillende van onze diensten. Ja, laat mij toch maar wel de Twitterdokter zijn. Sociale media voor Sociale Geneeskunde, waarom eigenlijk niet?

Dus, als ik dít nou doe, en iemand anders die lijsten en avonden. En we brengen de resultaten samen. Dan komen we een stapje dichterbij, samen.

Terug bij de Middellandse Zee… terug bij af?

Een jaar geleden. Zin in onderzoek. In vragen stellen en de hort op gaan om de antwoorden te vinden.
Blij met mijn vak, jeugdgezondheidszorg en nieuwsgierig naar de rest, de (verdere) publieke gezondheidszorg.
In mijn hoofd vormde zich een plan. Met cijfers en hulp van stagiaires de nullijn beschrijven. De nullijn zou duidelijk aantonen waarom verder onderzoek nodig is. De nullijn zou gaan over wat men (ik? mijn collega’s? de minister? Aletta Jacobs en dokter Plantijn?) met jeugdgezondheidszorg wil bereiken, en hoe ver dat nog af ligt van wat er daadwerkelijk lukt.
Subsidie aanvragen, en toegezegd krijgen.
Samen met iemand onderzoek doen naar een klein maar kernachtig onderdeel van wat er anders kan. Iets met participatie en verschuiving van perspectief.
Daarna of liefst al ondertussen ouders betrekken, en bereiken. Aanstekelijk beschrijven wat we doen, wat we zoeken en hoe we dichterbij komen.
Anderen gaan meezoeken en we vinden de heilige graal in JGZ-land.
Mooi plan.
Uiteraard nam ik mezelf al wel iets meer serieus, maar hier kwam het wel op neer denk ik.

Zo ben ik ook begonnen. De subsidies en onderzoeksprogramma’s afstruinen, zoeken wie al waar mee bezig is. Waar ligt het volgende hiaat, de volgende vraag. Welke draad kan ik oppakken?

Ik vond de draad niet, wellicht heb ik niet hard genoeg gezocht. Of niet gefocust genoeg of zocht ik niet op de juiste plek?
Ik vond wel een boel andere dingen waar ik me mee bezig kan houden. Die niet direct met onderzoek te maken hebben, maar wel met ‘anders doen’ en met perspectieven die ik leuk vind aan de publieke zorg en jeugdgezondheidszorg. En hee, alles is te onderzoeken. Dus dan maar eerst veranderen en daarna ‘zien wat het doet’?
Ik vond ook een boel andere mensen om dingen mee te doen. Anderen die met onderzoek bezig zijn, of die de dingen graag ‘anders doen’. De tijd is er ook naar om het anders te willen doen, gegeven de bezuinigingen en decentralisaties.
Die anderen, die doen andere dingen. Ieder z’n ding. Ik ben nieuwsgierig naar wat er uitkomt. Ik zie verbanden tussen de dingen, kan er niet altijd de vinger op leggen. Onverwachte gelijkenissen tussen het digitale netwerk dat de een voorstaat en de visualisaties van gezondheid waar een ander aan werkt. Eigenlijk vind ik dat veel leuker, merk ik steeds vaker. Het verbinden, er een groter geheel van maken. Misschien zoek ik niet één ding om ook zelf mee bezig te zijn?

Al peinzend ging de tijd vooruit dit jaar.

Middellandse Zee

Het is ongeveer een jaar geleden dat ik ook in de Middellandse Zee hing. Op of in dezelfde blauwe opblaasband als vandaag, in dezelfde Zee, al was het niet aan hetzelfde strand.
Vorige zomer hing ik te mijmeren over onderzoek dat ik wilde gaan doen. Wat mijn hoofdvraag zou zijn, en in hoeveel kleine stukjes ik die vraag kon hakken. Welke beginnetjes ik moest maken, hoe ik aan de juiste cijfers zou komen om nut en noodzaak te beschrijven.
Ik las tussendoor smullend in “Verwondering“, het eerste publieksboek van NWO, en bedacht in de warme zon in de zee dat ik dit blog zou beginnen. Om verslag te doen (van het beginnen) van onderzoek in de Jeugdgezondheidszorg, niet alleen de successen in de vorm van artikelen in mooie tijdschriften maar ook het gedoe om daar te komen.
Nu, een jaar later.
Geen artikelen, geen onderzoek. En toch een goed gevoel.
Ik ga morgen, in de heerlijke zon, eens bedenken hoe dat zit.