Wat kun je leren van online educatie? of, De mogelijke overeenkomsten tussen de JGZ en Stanford University

Vandaag ben ik jarig. Op mijn verjaardag mag ik doen wat ik zelf wil. Dat was vooral een groot kado toen de kinderen veel jonger waren, maar ook vandaag met de kinderen op school en mijn lieve schat op vakantie in Italië, heb ik Eigen Tijd.
Daarom kijk ik TEDtalks.
Zojuist zag ik deze: Daphne Koller: What we're learning from online education (20:41).

Eigenlijk moet je nu eerst die video kijken. Maar goed, als je niet jarig bent en andere dingen te doen hebt, mag je ook doorlezen.

Ik werd er heel onrustig van, ik vind hem zo geweldig!
Overal waar Daphne ‘education’ zegt, hoor ik ‘jeugdgezondheidszorg’.
En dan ziet het er als volgt uit.

Als we hardop dromen als JGZ willen in feite hetzelfde als de mensen bij Stanford University.
We willen meer mensen bereiken dan we aankunnen met onze menselijke middelen. We willen namelijk alle ouders, kinderen en bij hen betrokken mensen even bereiken, op een individuele actieve manier. We willen dat mensen toegang hebben tot onze kennis, informatie en advies, op een moment, manier en plaats die bij hen past.

Als we (jeugd)gezondheidszorg in modules of apps of elearnings aanbieden, dan kunnen we de zaken die we nu in een consultmoment van 20 minuten proppen, opsplitsen in kleinere stukjes. Stukjes die de ouder kan gebruiken in een volgorde die hij zelf logisch vindt, die past bij de vraag van dat moment. We kunnen ook veel meer stukjes aanbieden, en eventueel verdieping, verrijking.

Een module kan puur informerend zijn, eventueel af te sluiten met een quiz. Een module kan ook coachend zijn, waarbij geholpen wordt een gedragsverandering door te voeren. We kunnen ook modules maken voor kinderen en jongeren, uiteraard. Gekoppeld aan de oudermodule, eventueel.

De modules zijn altijd beschikbaar, en via websites, posters met QRcodes en social media uit te delen.
Sommige modules worden geautomatiseerd op bepaalde leeftijden of momenten aangeboden, met eventuele herinneringen. Modules met quizzes en coachende modules hebben deadlines.
Het al dan niet deelnemen aan zo’n module kan gemonitord worden, zoals nu ook het show/no show gemonitord en op gereageerd wordt door de professionals van de JGZ.

Aan het geklik, de herhalingen, en de antwoorden bij de quizzes kunnen we dan zien waar ouders vraagtekens hebben. Waar ze doorklikken, of waar ze snel weggaan. Daar kunnen we verbeteringen aanbrengen, of concluderen dat elearning niet de manier is om het bewuste onderwerp naar de ouder te brengen, niet de weg om het gezondheidsdoel te halen.

En dan is er nog het sociale aspect. Uiteraard hoort er een forum bij. Een forum met helpdesk functie, maar zeker ook een forum waar ouders elkaar kunnen treffen, verder helpen. Soms wonen ze misschien om de hoek bij elkaar, soms aan de andere kant van het land. Op straat zouden ze elkaar misschien niet eens aanspreken, laat staan een opvoedvraag stellen.

En de ouders die dit niks vinden? Die niet van de computer houden, er geen toegang toe hebben, of behoefte hebben aan face to face contact? Daar hebben we dan tijd voor! Doordat we de andere mensen op andere momenten al semi-geautomatiseerd hebben geholpen.

“Big breakthroughs are what happens when what is suddenly possible meets what is desperately necessary.” (Friedman)

Advertenties

Jeugdarts op avontuur

De middellandse zee ligt al weer een paar weken achter me. Het schooljaar is echt begonnen (hier in het Zuiden in ieder geval).
Na deze terugblik-serie, ga ik alweer in volle vaart vooruit!

Al met al heb ik leuke dingen gedaan vorig jaar. En ik doe nog steeds leuke dingen.
Binnen mijn GGD werk ik in een klein groepje aan een overzicht van wat we doen en zouden willen doen aan eHealth.
Met een groepje met landelijke collega’s werk ik aan verschillende bredere kanalen tussen ouders, jongeren en JGZ.
Met een lokaal groepje werk ik aan beiden: jeugdzorg, zorg voor verstandelijk gehandicapten en jeugdgezondheidszorg beter in contact met elkaar én met de curatie. Op landelijk niveau dit laten voorstaan door de verschillende beroepsverenigingen en lokaal praktische pilots starten. Een mooi tweesporenbeleid, lijkt me.
In sommige CJGs werken we sinds kort met een ‘digitaal kantoor’ wat betreft klantgegevens en samenwerken tussen de verschillende organisaties, werkafspraken op casusniveau. Heel graag zou ik er snel een ‘ouderportal’ bij hebben, dat ook ouders de mogelijkheid geeft op gelijke voet samen te werken. Samen met de professionals die hun best doen voor hun kind, hun wijk, hun school. En samen met elkaar, wie weet. Een digitaal ontmoetingsveld?

Binnen mijn directe werkkring ben ik de ‘Twitterende geLinkedInde Facebookdokter’, die vaak raad weet als het over computers gaat of het gebruik van internet, en graag iedereen begeleidt op de eerste stappen in het Wereldwijde Web.
Ik heb er lol in, en zie dat het vooruit gaat. Internet wordt minder eng en zelfs zinvol.
Als ik nu in mijn eigen tijd vooruit blijf hollen om te zien wat er is, te bedenken wat er kan. Maar in mijn andere tijd terughuppel naar waar anderen ondertussen zijn aangekomen, en mét hen werk in plaats van blijf trekken en duwen.
Net als bij ouders, werkt bij professionals niks motiverender dan succeservaring en erkenning voor bereikte vooruitgang.

De sociale dokter, die zo graag naast ouders staat, kan de kennis van de digitale dokter gebruiken om dat te vergemakkelijken. De jeugdarts kan haar expertise gebruiken en waar zij daadwerkelijk verbindend werkt tussen curatie en preventie, tussen regulier/individueel en publieke zorg, kan ze de sociale én de digitale dokter gebruiken.
En als onderzoeksdokter kijk ik er naar, en zou wat vaker hier moeten beschrijven wat ik zie. (Goed voornemen zo aan de vooravond van mijn eigen nieuwjaar ;-))
Steeds meer mensen lezen mijn stukjes, en wie weet wie het inspireert om onderzoek te starten. Als ik het hier verwoord, in contact kom met anderen, kan ik wellicht wat makkelijker studenten aantrekken om kleine stukjes uit te vogelen. En hen ondertussen te inspireren en motiveren om de jeugdgezondheidszorg en publieke gezondheidszorg als machtig mooi veld te zien.

Tijdens een talentendag van ZonMW, of was het nou NWO, in ieder geval een paar jaar geleden, kregen wij aanstormende talenten hierover van een vrouwelijke professor in de scheikunde of iets dergelijks, een advies.
“Doe wat je leuk vindt, daarmee kom je het verst.”
Toen vond ik het wat simplistisch, en wat makkelijk gezegd. Mijn carrière bouwde ik zorgvuldig op met een duidelijke focus.
Nu, vlak voor ik 36 word, ben ik al iets wijzer. Het was niet simpel, het was heel waar. Juist omdat echte veranderingen een lange adem vragen, heb je passie diep van binnen nodig. Zonder de zijpaadjes en de twijfels aan mijn eigen zeven-jaren-plannen, was ik nooit bij de JGZ terecht gekomen.
Zonder zweverig te worden wil ik mijn omzwervingen graag omarmen, en ze hier lekker beschrijven. Voor u allen te lezen.

Jeugdarts in onderzoek zal hopelijk wat vaker voelen als jeugdarts op avontuur.

Onderzoeksdokter?

Dichter bij onderzoek ben ik wel gekomen. Mooier misschien nog wel, met de brainstormsessies kwam er weer schot in een samenwerking tussen de onderzoekers van Kennis&Innovatie en de JGZ-ers van mijn GGD. Hoewel, zover wil ik nog niet gaan, er is weer kans, mensen hebben elkaar ontmoet.
En er is een opdracht uitgegeven door de hoofden om deze kans verder uit te werken naar meer kansen.
Dus dat is prachtig!

Jeugdarts

Jeugdartsen, waarom zijn die er eigenlijk? Ik vind het werk enorm leuk om te doen, maar dat is geen reden om het vak te laten bestaan. Wat kun je ermee?
Na vijf jaar heb ik op z’n minst twee antwoorden.

Jeugdgezondheidszorg is onderdeel van publieke gezondheidszorg. Gezondheidszorg die van overheidswege wordt gestimuleerd met preventieve doeleinden.
Het is onderdeel van een systeem dat breder is dan gezondheidszorg, en zich breder richt dan alleen jeugd. Een systeem dat de omgeving probeert te beïnvloeden, de omgeving waarin wij opgroeien, leven en onze gezondheid willen behouden. Binnen dat systeem levert Jeugdgezondheidszorg de individuele tak van de omgevingsbeïnvloeding. Jeugdartsen en jeugdverpleegkundigen volgen de ontwikkeling van kinderen en hun gezinnen en zoeken samen met ouders naar de beste afstemming op het kind van allerlei factoren in die omgeving, om de ontwikkeling zo goed mogelijk te laten verlopen. Als een kind ouder wordt breidt de omgeving zich uit naar school, wijk, sportclub, uiteraard, dus ook de gesprekspartners van Jeugdgezondheidszorg worden meer divers.

Vanuit dat systeem is Jeugdgezondheidszorg ook de link naar de curatieve gezondheidszorg. De gezondheidszorg waar je terecht komt als je al klachten hebt. Dit is het andere antwoord. Jeugdgezondheidszorg bestaat vanwege het nut van vroegsignalering. Zowel vroeg in het beloop van een aandoening als vroeg in het leven van het kind. Vroegsignalering van problemen, om ze in de kiem te kunnen smoren zodat er zo min mogelijjk schade voor het kind is. Zodat ieder kind als kind en als burger zoveel mogelijk tot bloei kan komen. Dat is een recht dat in ieder geval kinderen zouden moeten kunnen claimen, zoveel mogelijk los van hun omstandigheden. Jeugdgezondheidszorg is dan vaak een verwijzer naar de kinderarts, de oogarts, de keel-neus-oorarts. Naar de fysiotherapeut, de logopedist en gewoon naar de huisarts.

Tijdens mijn eerste-fase opleiding heb ik hier lang en vaak over nagedacht. En als een soort kadootje daarvoor, zo voelde het, mocht ik me ook hier mee bezig houden afgelopen jaar. Op landelijk niveau heb ik meegewerkt aan het beschrijven van de rol van de jeugdarts in dit geheel. En binnen mijn eigen afdeling probeer ik ondanks bezuinigingen en de toch heftige reorganisatie, een inhoudelijke omslag te berwerkstelligen.
Ik werk maar aan een klein radertje, maar bij ieder radertje hoort de hele visie, het hele toekomstbeeld.

Dit is moeilijk. Het lastige is niet alleen het inhoudelijke, maar ook hoe het in het licht van die reorganisatie ‘valt’, ervaren wordt. Dat is niet triviaal, dat is niet voorbijgaand. De beleving bepaalt denk ik in hoeverre we er voor durven gaan, en daarmee het succes. Ik wil zo graag alles wat ik doe heel transparant doen. En dan bedoel ik: dat het voor iemand die niet direct betrokken is bij het proces, maar die het wel aangaat, volgbaar is, begrijpelijk is, inzichtelijk is, hoe het proces verloopt, waarom beslissingen worden genomen, en waarom het soms heel lang duurt. Dat lukt me bij lange na niet zo als ik het zou willen. Erg frustrerend.
Hoe dan ook, ik leer dat dit geen puur inhoudellijk proces is. Maar! Het moet inhoudelijk wél kloppen.