Gezondheid en onderwijs

De TEDtalk over Online Education brengt op twee manieren de link tussen onderwijs en gezondheid naar voren.
De ene is een trieste, en tegelijkertijd mijn sterkste stimulans om me in te zetten voor de tweede.
Het trieste, is dat gezondheid nog altijd zeer sterk verbonden is met je opleidingsniveau. Hoe oud je wordt en hoeveel tijd daarvan je in goede gezondheid doorbrengt, hangt nog het meest af van je opleiding, meer dan van je genen, van je geloof of van de vooruitgang van medische wetenschap.
Sociaal economische gezondheidsverschillen, SEGV wat onpersoonlijk afgekort.

De andere link is het kleine internationale avontuur waar ik me via lunch-vergaderingen in begeef. Samen met drie hogescholen in de beide Limburgen, deel ik kennis en bouw ik nieuwe mogelijkheden van online hulpverlening en online onderwijs. Het gaat de hogescholen natuurlijk om hun studenten, en hoe ze niet alledrie dezelfde wielen zitten uit te vinden. Het gaat hen ook om het afleveren van goede professionals, en laten ze nou net professionals afleveren die veelal in mijn werkveld terecht komen: de sociale werkers van deze wereld. Dus daar ligt dan ook mijn belang.
Social workers die goed en online zijn opgeleid, kunnen straks ook goed en online hulpverlenen.

De link tussen gezondheid en opleidingsniveau gaat natuurlijk twee kanten op. Wie zich niet goed voelt, gaat niet naar school of komt niet tot leren. Aldus is de cirkel rond. Op zoveel mogelijk punten van die cirkel kunnen ingrijpen, maakt de kans het grootste dat ie doorbroken wordt bij zoveel mogelijk kinderen en hun gezinnen. Online hulpverlening is een mogelijkheid die nu, maar zeker over een paar jaar, niet mág ontbreken.

En wat er in onderwijsland wordt ontwikkeld, kan de praktijk veel van leren. Scheelt wellicht weer een paar wielen uitvinden.

Advertenties

Een nieuwe morgen, een nieuw CJG

Morgen is het zover, mijn eerste echte spreekuur op mijn nieuwe werkplek. Een hele ochtend, vol kinderen die eerder gezien zijn door de collega’s die voor mij in dat CJG werkten. En een meekijkende AKO-co, dat is een co-assistent van het kritische en vragende type, als het goed is (Assistent in opleiding tot Klinisch Onderzoeker).
Ik heb er zin in, uiteraard. Ook in het nieuwe. Jeugdgezondheidszorg wordt niet alleen qua inhoud maar ook qua mogelijkheden gevormd door de gemeenschap waarin je ‘m uitvoert.

Een paar jaar geleden begon het Centrum voor Jeugd en Gezin in Geleen, en ik ging er werken als jeugdarts vanuit de GGD. We trokken feitelijk in bij het consultatiebureau, dat omwille van onze komst verbouwd was. De gemeente was (terecht) trots dat zij het eerste Centrum voor Jeugd en Gezin van de provincie openden, met een wethouder met een naambordje op de gevel enzo.
Gelukkig voor de gemeente had de GGD ook een hele goede kwartiermaker aangesteld. iemand die een paar jaar lang met veel hart voor de zaak en nog meer realiteitszin het geheel heeft vlotgetrokken. Veel aandacht voor de koffie-automaat, voor het ontmoetingsmoment van de CJGers en de meerwaarde die het voor iedereen (burgers en professionals) moet hebben om een CJG zinvol te maken.
Na anderhalf jaar ging ik ook werken in het daarna nieuwe CJG van Sittard. Zelfde proces doorgemaakt van kamers die nog niet helemaal op orde zijn, nieuwe en oude collega’s die niet allemaal het nut van de heel verhuisheisa inzien, en toch gewoon iedere dag samen lunchen. Kijken wat er van komt.
Ook daar is het ondertussen een goed lopend CJG waarin de professionals elkaar weten te vinden en aanvullen, zodat de ouders en kinderen zich beter geholpen voelen dan in de organisaties apart voordat we in een CJG zaten. Voornamelijk de twee JGZ-organisaties en pedagogisch medewerkers van het maatschappelijk, bij elkaar gehouden door de consulenten die het geheel runnen. Vanuit een nu stevige basis kan er worden verder gewerkt, geluisterd naar wat de ouders en kinderen zinvol zouden achten en of dat dan ín het CJG moet zijn of wellicht juist in de wijk of de school.

In Maastricht is het CJG anders ingericht, ingevuld. Het is er wel al, maar of en hoe het werkt of kan werken, is wat onduidelijk. In ieder geval voor mij, en aangezien iedere professional een ambassadeur voor het CJG zou moeten zijn (in mijn ogen), is het wel van belang dat ik het snel snap. Over twee weken komt de projectleider van de gemeente kennismaken, dus dat komt goed.
Voor nu is het natuurlijk een avontuur. Ik stel me voor aan iedereen in het gebouw die ik nog niet ken. In het gebouw waar ik werk zit met name JGZ, beide organisaties (0-4 en 4-19), en er zijn wel mensen van ‘het CJG’ maar ik mis ze steeds. Zou heel goed zijn als dat komt doordat ze de wijk in zijn, daar waar ze wat kunnen betekenen. Maar ik wil ze wel graag eens ontmoeten, want dan weet ik ook naar wie ik kan vragen of wie ik erbij kan halen als er zo’n typisch CJG vraagstuk zich voordoet.
Volgende stap dan ook voor mij: naar buiten. Dit is het enige CJG met spreekuur vanuit de JGZ volgens mij. Verder zijn CJG-inlooppunten, in de wijken. Daar moet ik naartoe. Kijken wat dat is, wat is er te halen voor ouders, waarom zouden ze daar naartoe gaan?
Op pad! Maar eerst mijn eigen spreekuur.

Zo’n zuydelijk avontuur

Als je om je heen kijkt en blij verrast denkt:”Waar ben ik nu weer beland? En wat zal er allemaal gebeuren?”, dan ben je op avontuur.
Deze week was ik op avontuur bij Zuyd, te gast bij Goos Cardol. Goos is lector daar, met een interessante opdracht: Opvoeden in het Publieke Domein. Deze opdracht is gegeven door de provincie Limburg, en hangt samen met de herzieningen van het jeugdzorgstelsel.
Goos vond EMOL op zijn weg, en samen organiseerden zij een tijd geleden expertmeeting. Een brainstormsessie met vrije denkers uit het veld dat zo nodig herzien en heringericht moet worden. Enkele directeuren, Zuyd, en Rianne.

De volle breedte van het jeugdzorgveld was aanwezig: welzijnswerk, speciaal onderwijs, bureau jeugdzorg, raad voor de kinderbescherming, pedagogiek, en met mij natuurlijk jeugdgezondheidszorg.
Wat nou precíés doel en (yuk) status van het overleg was, bleef nog even onduidelijk, maar interessant was het zeker. We wisselden zorgen uit over de toekomst, goede ervaringen van nu en verleden, en brainstormden over hoe het zou kunnen zijn. Daarbij moeten financieringssystemen, bestuurslegers en disciplinetrots ook op zn kop. En de belangrijke vraag: wat moeten de professionals van stráks kunnen om zorg zo te leveren als wij ons voorstellen? We bedachten hoe we dit verder dan onze vergadertafel konden krijgen.
Het geheel was nog steeds statusloos, maar met het doel “ook met het veld deze vragen aan te gaan” was het blijkbaar voor de anderen ook een succes, want deze week was de tweede bijeenkomst.

Een interessante strategisch adviseur sociaal van een van de Zuid Limburgse gemeenten hield een opwarmende openingspresentatie, en de discussie barstte gaandeweg los. Voor de details en bedrijfsgeheimen en graag ook jouw input verwijs ik graag naar de te organiseren Werkconferentie, waarschijnlijk in januari.

Wat was er nou zo avontuurlijk aan?
Het is een heerlijke groep mensen, vrij in de omgang met elkaar, ogenschijnlijk zonder agenda, maar met een gezamenlijk doel: de zorg rond álle jeugd in Zuid Limburg zo vormgeven, dat de jeugd in al haar diversiteit zich zo goed mogelijk kan ontwikkelen. Ieder heeft zo z’n eigen hoekje met jongeren waar hij of zij zich verantwoordelijk voor voelt, en samen proberen we de marktwerking-achtige strijd die er normaliter ontstaat tussen preventie, curatie en justitie, op te lossen door één beeld na de transformatie te schetsen. Samen vooruit in plaats van klagen over de rest, is heerlijk en helaas wat avontuurlijk.
Hee, en heel eerlijk is het ook spannend om met verschillende anderen aan tafel te zitten, met gemiddeld 25 jaar ervaring in het veld, veelal vanuit aansturende functies. En dat we daar, gelijkwaardig en ook als goed gezelschap elkaar kunnen bevragen en uitzoeken hoe het beter kan.
Heerlijk. Ontwikkeling.