De toekomst van de JGZ – Een stevig fundament

Vorige week verscheen het Rapport van de Commissie De Winter: over een herziening van het basispakket JGZ. Het heet ‘Een stevig fundament’. Ik heb het rapport gelezen, stukken herlezen en overdacht. Onderstaand een eerste indruk.

Het rapport is hier te vinden: Een stevig fundament.

De opdracht van de werkgroep was: een uniform basistakenpakket. Welke zorg moet in elk geval aan elk kind worden aangeboden. Deze opdracht wordt direct aangepast. omdat ook de commissie begrijpt dat als kinderen niet uniform zijn, je ze geen recht doet met uniforme zorg. De commissie stelt daarom dat het áánbod uniform moet zijn, en de uitvoering van dat aanbod een professionele aangelegenheid is. Logischerwijs geldt dit tussen de diverse leeftijden waarop aanbod van JGZ moet worden gedaan aan ouders en kinderen, maar ook binnen dezelfde leeftijd of ‘contactmoment’ dient die diversiteit gebruikt te worden. De commissie gaat daarbij uit van een soort ‘middeling’. Waar de ene ouder 3 benaderingen nodig heeft voor de bedoelde zorg daadwerkelijk aangeboden is, ziet de andere ouder er weloverwogen vanaf en de volgende is met een telefonisch consult geholpen. Gemiddeld weer één, ongeveer.

De JGZ kent echter ook het risico ‘basis = minimum = maximum’. Anders gezegd: het basistakenpakket wordt dan door de opdrachtgever en financier (gemeente) niet als basis of minimum gezien waarop verder te bouwen, maar direct ook als maximum. Hierin dus de uitdaging aan de GGD en thuiszorgorganisatie om voldoende ruimte te onderhandelen de zorg ook op maat uit te kunnen voeren.

Het rapport De Winter beschrijft JGZ als echte gezondheidsbevorderende en gezondheidsbeschermende activiteiten. Zo gauw als het over iets anders gaat, over gesignaleerde risico’s of reeds bestaande problemen, komt ter discussie of de te bieden hulp onder de concept jeugdwet dient te vallen, of onder curatieve zorg. Gelukkig wordt verderop gesteld dat het niet onnodig complex moet worden wanneer duidelijk is dat het over normaliseren en demedicaliseren gaat: dan moet de JGZ dat vooral zelf oppakken en past het binnen het basispakket. Dit past bij ‘licht waar het kan en zwaar waar het moet’. Ook wanneer nog extra aandacht nodig is bij dit ǵ’toegeleiden naar zorg’, vroeger ook wel ‘verwijsklaar maken’ genoemd, past het nog binnen het basispakket.
De JGZ professionals staan door de uitvoering (met de ouders en de kinderen bezig zijn) dichtbij, en kunnen met deze interpretatie de zorg bieden waar de ouder en het kind direct wat aan heeft.
Hier is een uitdaging te zien voor de zorgorganisaties (GGD-en en thuiszorgorganisaties) om op de juiste plekken de juiste professionals in te zetten.

De werkgroep schetst bij gebrek aan de eerste jeugdVTV een beginpositie. Daarbij wordt de 0-4 JGZ gepositioneerd als actief aan te bieden, medisch gerichte JGZ. Vanaf de leeftijd van 4 jaar, als kinderen naar school gaan, is het aanbod en de taak van JGZ passiever, reactiever en in netwerkfuncties beschreven. Hoewel ik mij als jeugdarts in de 4-19 zorg herken in de beschrijvingen, vind ik het lastig. Er wordt weliswaar benoemd dat de JGZ dan een eigen sociaal medisch volgsysteem hanteert, en ook wordt verderop in het rapport duidelijk dat (ook dan) de uitvoering van JGZ gekoppeld dient te worden aan contactmomenten. Bovendien is het contactmoment voor adolescenten volop in ontwikkeling. Het ‘eigen sociaal medisch volgsysteem’ is volgens mij gewoon het (digitaal) dossier jeugdgezondheidszorg dat niet eigen is aan de 4-19 zorg maar juist los van welke splitsing dan ook, continuïteit van informatie (en zorg) faciliteert.
De verdere beschrijving van aansluiting bij reeds bestaande volgsystemen en ketenpartners, alsmede de afstemming en consultatiefunctie, doen mij erg volgend en weinig pro-actief aan. Het voorkomen van negatieve gevolgen hiervan leunt sterk op een goed inzetten van de voorgestelde jeugd-gezondheidsbeleidscyclus. Het aanzwengelen van alle ketenpartners om in deze cyclus te geraken vraagt veel van de gemeente, en wanneer dit niet lukt is het de JGZ die hier in verliest, uiteindelijk gevolgd door de jeugd.

De JGZ heeft vervolgens een rol in het uitvoeren van een jeugdVTV. Dit kan gezien worden als belangenverstrengeling: vanuit die jeugdVTV moet beleid worden afgeleid voor de volgende periode.
Ik zie er echter vooral een kans in om verantwoordelijkheid te nemen voor wat je bereikt, en je zorg uitkomstgericht in te richten. Om dat te doen moet je wel de koppeling kunnen maken naar een volgend leeftijdscohort of meerdere cohorten, een koppeling met de regionale VTV dus. Immers: wat je bewerkstelligt voor de 13 jarigen, zie je bij vooruitblikkend beleid pas terug bij de 40 jarigen van ruim 25 jaar later.

Het rapport De Winter schetst een prachtige basis om de JGZ te professionaliseren, om als vakgebied je te richten op dátgene dat er echt toe doet. Beter nog zou zijn: je te richten op dat wat er echt gáát toedoen. Dus dat er een voorspelling gemaakt wordt op grond van die jeugdVTV, waarin gemodelleerd wordt welke gezondheidsproblemen de jongeren van nú later gaan krijgen en hoe de JGZ daar nu op moet ingrijpen.

Advertenties

Ja, graag!

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s