Jeugdarts-in-Onderzoek. Zou het?

Spannend! Opeens was ik weer aan het nadenken over onderzoek. Wat wil je nou precies weten, hoe onderzoek je dat, wat levert het op? Geweldig leuk. En voor ’t echie, want het ging om een subsidie-aanvraag. En dan nu afwachten, man, ik vind het spannend.

Jeugdarts-in-onderzoek. Zo heet mijn blog. Misschien wordt het wel weer waar.
Het onderwerp zelf is goed: wat willen ouders van JGZ, waar hebben ze wat aan en hoe sluit dat aan bij wat wij willen als JGZ? De aanvraag ging over de inzet van vragenlijsten in ons werk en daarbij moest het cliëntperspectief goed worden meegenomen. Zo leuk, zo goed.
Waar ik dit jaren geleden al wilde, getuige de blogjes waarmee ik begon, is er nu *opeens* vraag naar. Het zou zomaar kunnen.

Maar jee, toen de vraag voor mijn neus kwam, moest er snel gehandeld worden. Drie-en-een-halve week later moest de hele aanvraag al bij de subsidieverstrekker binnen zijn en het is een samenwerking van (zeer) verschillende partijen. Dit maakt het een rijk geheel.
De tijdsdruk betekende ook direct aan de slag gaan. Het was even vreemd om iets al lang te willen en als het dan zover is in te passen in een ander geheel. Dan blijkt dat aanvraagcircus toch weer echt iets te zijn waar je in thuis moet zijn, gepromoveerd of niet. Gelukkig is er bij onze GGD een Academische Werkplaats die ook betrokken is. Subsidieaanvragen zijn ook gewoon aan mode onderhevig, dus het is maar de vraag of ” participatie” nog kan en of de gekozen onderzoeksmethodieken in het straatje van de beoordelaars passen. Dat maakt de Academische Werkplaats met up-to-date betrokken professionals als verbindende factor met de praktijk (waar de vragen ontstaan en de oplossingen de finale toetsing ondergaan) simpelweg onmisbaar.

Oh, wat spannend!

Advertenties

Kwetsbaarheid als kracht

Binnen mijn werk als jeugdarts spreek ik over kwetsbaarheid voornamelijk als risicofactor. Als iets waar je mee moet uitkijken. Mensen die kwetsbaar zijn, die moet je beschermen of (beter nog) leren zichzelf te beschermen. Jeugdgezondheidszorg gaat over het voorkomen dat zich risicofactoren bij één kind of gezin opstapelen, kwetsbare kinderen is dan ook een synoniem voor kinderen met één of meer risicofactoren die je niet zomaar weggepoetst krijgt.

Kwetsbaarheid is ook, als je het voelt, iets dat je instinctief wil wegstoppen of verbloemen. Maar als je het omarmt kan kwetsbaarheid enorm veel kracht geven. Bovendien is het volgens Brené Brown een voorwaarde voor echte verbinding met anderen. Je kwetsbaarheid kunnen omarmen, jezelf durven laten zien met je hele verhaal inclusief je imperfecties en kwetsbaarheden is het omgekeerde van schaamte. Schaamte is bang zijn dat de ander je geen verbinding meer waard vindt als ie dit of dat van je weet.

Over niet al te lange tijd rond ik mijn opleiding tot arts Maatschappij en Gezondheid af. Als onderdeel van die specialisatie volgde ik onder andere Action Learning. Dat laat zich het snelste uitleggen als een soort super-intervisie (of groepstherapie ;-)), die je wel kunt gebruiken als je zoveel nieuwe kennis en kunde krijgt terwijl je omgeving in feite niet verandert. Soms is dat best lastig om mee om te gaan, bij Action Learning kon je allerlei casuïstiek inbrengen en werd ons weer andere theorie geboden. Maar vooral boden we elkaar ons perspectief en dat vroeg ook een zekere kwetsbaarheid.

Morgen zoals gezegd de laatste keer. We gaan er een goed afscheidsfeestje van maken volgens mij. We gaan namelijk allemaal wat meebrengen dat óns inspireert en dat mogelijk ook is zoals wij wel inspirerend zouden willen zijn. Wellicht ontdekken we ook wat dit betreft weer kwaliteiten bij elkaar en onszelf en kunnen we al proostend afsluiten. Mijn bijdrage, of kadootje, gaat onderstaand filmpje zijn. Vooral de eerste paar minuten passen bij het leerproject waarmee ik dit Action Learning Traject inging (wat wil ik in en met mijn werk, wie ben ik).

Betaalde kennissen

cropped-Logo1
Zes mensen hebben hun koffie gepakt, twee zijn er afgemeld. De procescoördinator is er natuurlijk, notulen bij de hand. De verpleegkundige van het consultatiebureau heeft de jeugdarts uit haar team meegenomen, de vervanger van de maatschappelijk werker uit het wijkcentrum is er ook. Degene die het dichtst bij het gezin staat is de thuisbegeleider. En ikzelf, de jeugdarts van de oudste kinderen.
Afwezig deze keer de kredietbank, en de sociaal psychiatrisch verpleegkundige van moeder. Vooral dat laatste is jammer, want we hadden daar nou juist wel vragen aan.
Oh ja, en moeder is er ook niet. Zo’n grote groep mensen is toch net te veel van het goede, licht de thuisbegeleider nog maar eens toe.
Het is net een echte vergadering. De notulen van de vorige keer worden op punten, komma’s en spelfouten in namen verbeterd, en de nieuwste StaVaZa* wordt toegelicht door de thuisbegeleider. De vervanger van de maatschappelijk werker vult aan, zij heeft een kennismakingsgesprek met moeder gehad, en heeft wat nieuwe doelen ontdekt om aan te werken.

Met het oudste kind, weet ik via school, gaat het de goede kant op. Ze komt zo goed als iedere dag naar school, ook als ze hoofdpijn heeft. Dat was begin dit schooljaar nog heel anders: het verzuim was torenhoog. En als ze dan weer een keer op school was, voelde ze zich zo aangekeken door iedereen, en had ze zoveel gemist dat ze niet makkelijk meer meeging in de groep. Echt niet alleen wat betreft de sommetjes, maar ook de nieuwste grapjes in de klas, gewoon het groepsgedoe. De leerkracht is door de intern begeleider goed geholpen bij het welkom heten, en de leerkracht heeft dat weer weten over te brengen op de klas. Dus nu is ze er weer. Wel nog met de hoofdpijn inderdaad, maar daar wordt via de huisarts en de gespecialiseerd verpleegkundige aan gewerkt.
Het middelste jochie is thuis heel druk, vandaar de thuisbegeleider, maar school ziet het probleem niet. Mooi, dat is ook wel eens lekker.
Het kleintje, daarover gaat het consultatiebureau. “Nou ja, zij volgen de ontwikkeling van het kindje. Moeder en vader ‘gaan over haar’, toch?” vraagt de thuisbegeleider terecht. Dit mens is goud waard, denk ik bij mezelf.

Tegelijkertijd: het zou zoveel beter zijn als moeder hier wel bij kon zijn. Het is maar de vraag of moeder dat ook zo ziet, dat zij over haar kind gaat. Met al die hulpverleners aan je gezin, kun je nog wel eens gaan twijfelen. En of ze dat zo ziet, had de SPV-er misschien wel kunnen vertellen, maar die is er ook niet.
Zo eng zijn we toch niet?
De maatschappelijk werker vertelt dat de uitkering van moeder nog net op tijd is aangepast aan de tijdelijke werkelijkheid dat vader (van de jongste twee) in detentie is voor 98 dagen.
Kredietbank: loopt, thuisbegeleiding: loopt, schoolverzuim: opgelost, behandeling voor hoofdpijn: loopt (al moet ik hier op tijd doorzetten dat er ook een flinke psychosociale component in zit, dit kind krijgt gewoon hoofdpijn “van ons”), psychiatrische begeleiding moeder: loopt. 
Stijgend op het lijstje van doelen is hoe moeder haar straat ervaart. De thuisbegeleider is hier meer en meer mee bezig, nu moeder weet hoe ze gezondere boterhammen maakt, en hoe ze de kinderen soms zelf hun ruzietjes kan laten oplossen. 
De straat, de dreiging die moeder ervaart van twee andere gezinnen. Is die reeël of onderdeel van moeders eigen psychiatrische beeld? Of maakt dat niet uit, omdat de effecten hetzelfde zijn: moeder zit thuis met de gordijnen dicht, en de kinderen op hun kamers.
Zolang moeder de straat niet opgaat, ook niet naar die gezinnen waar ze het wel goed mee kan vinden, blijven wij de werkelijkheid van dat gezin. En dat is niet de bedoeling, wij moeten juist weer verdwijnen. Een kennissenkring die uit hulpverleners bestaat (die per toerbeurt vervangen worden) dat is geen gezonde sociale omgeving.
De maatschappelijk werker en de thuisbegeleider slaan de handen in een, en stellen als doel dat moeder volgende keer wel zelf aansluit. De jeugdarts van het consultatiebureau en ikzelf zullen eens goed kijken hoe het zit met de wijkaanpak in deze straat. Zou die er zijn? En zo niet, zouden we ‘m dan kunnen organiseren?

Dit avontuur werd eerder gepost op dewijkin.nl