Over leren

Waarom vind ik leren zo leuk? Vroeger vond ik leren leuk omdat ik er goed in was. Ik haalde makkelijk hoge cijfers, wat makkelijk complimenten opleverde bij grote mensen. Dat gaf makkelijk een goed gevoel en dat is lekker.
Door te leren hoge punten te halen kon ik ergens aan voldoen, er was iets dat ik aantoonbaar goed deed.
Nu ik ouder ben, ontdek ik dat er vele manieren zijn om goed te doen. Soms per ongeluk, iemand (misschien ik zelf wel) wordt blij van wat er gebeurt en ik had een rol in datgene wat er gebeurde. Soms (als arts best vaak) vooral door niks te doen.
Ik ontdek ook dat je vaker kunt leren door nieuwe dingen te proberen, zonder daarbij een heel erg duidelijk doel voor ogen te hebben. Behalve dus het doel ‘nieuwe dingen proberen’. En er dan enigszins bewust op terug te kijken, er over te praten, bloggen, vragen over te stellen. Je leert er altijd wel iets van, op z’n minst of het inderdaad nieuw was (of toch verdacht veel leek op iets dat je al kende), of het leuk was of dat het echt niet voor herhaling vatbaar is.
Dit is vooralsnog vooral een notie, iets dat ik weet. Ik vind het moeilijk om te dóén, om uit te dragen. En ik vind het moeilijk om iets moeilijk te vinden, maar ik geloof niet dat ik daar zo’n uitzondering in ben. Misschien is het echt iets dat ik van mijn kinderen kan leren?

“Mama, mag ik/zullen we [x]?”
“Nee.” Dat is zo’n beetje mijn default antwoord. Kind reageert uiteraard met “Waarom niet?!” in een variatie aan tonen.
“Waarom zouden we dat doen?” of “Omdat we dat in principe niet doen en ik geen reden zie om daar van af te wijken vandaag.” Echt waar, zoiets zeg ik dan.
“Gewoon. Omdat dat leuk is.” Simpel en eerlijk antwoord van een kind, nog niet te zeer bedoezeld door de honderden, duizenden keren dat het ‘nee’ te horen kreeg.
En ik ben trots te zeggen dat ik steeds vaker kom met:”Leuk… Dat is de beste reden, hè. Okee dan.”

Het mooiste van mijn laatste opleidingen (zowel de modules van de specialisatie tot Arts voor Maatschappij en Gezondheid als de Plato-MOOC bij Coursera) is dat ik beter word in leren leren. Ik kom steeds meer zaken tegen die ik niet snap. Waar ik voorkennis voor mis en de moeilijke woorden niet van kan onthouden. Dat levert bij mij onrust op: wat heb ik allemaal gemist, hoe ga ik al die boeken ooit nog lezen, terwijl er tegelijkertijd meer interessante boeken verschijnen? Een continue staat van achterlopen, een persoonlijke situatie van growing into deficit, help!
Leren betekent dat je iets nog niet kunt. Iets nog niet kunnen vind ik eng, want dan doe ik het misschien niet goed. En dat vind ik zelf stom en misschien is er nog wel iemand anders de dupe van. Best kans op, aangezien ik arts ben.
Maar wat blijkt: het is okee. Als je alles al kunt is er niks meer te leren. Niks meer te leren hebben vind ik eigenlijk nog veel enger. Dan is dít het. This is it. Dan is het klaar. En ik ben pas 37.
Dus hoera, dit is het nog lang niet! Maar ik heb ondertussen genoeg geleerd om arts te mogen zijn en ik leer steeds meer van ouder zijn.

Advertenties

Procrastinatie, Plato en pubers

“Maar de vierde periode heeft toch geen proefwerkweek aan het eind?” probeert mijn brugklasser hoopvol. Ik lach hardop. “Natuurlijk wel, anders doet niemand iets, echt niet!”
En zo ging het ook met mijn Massive Online Open Course. Een cursus van acht weken, bestaande uit drie keer twee weken om drie dialogen van Plato te lezen en bestuderen en daarna nog twee meer vrije weken met eigentijdse filosofie. Na die eerste zes weken moest er een essay geschreven en ingeleverd zijn. Maar aan het eind van de laatste twee weken ‘moest’ er niks meer. Behalve de vrees dat de video-colleges straks niet meer te zien zijn, is er voor mij geen reden om de filmpjes nú te bekijken.
Nou is dat reden genoeg en gelukkig heb ik vakantie. Dus vandaag en morgen ga ik nog veel zien en horen van professor Holbo. En bij de door hem aangereikte boeken denken: oh ja, dat is wel interessant voor de zomervakantie. Maar het komt er niet van. En dat is precies een van de dingen die Daphne Koller – TED What we’re learning from online education had gezien bij het analyseren van de eerste Coursera-cursussen: “These are the spikes showing that procrastination is global phenomenon.”

De eerste weken van de cursus heb ik netjes gevolgd. De dialogen van Plato gelezen, de video-lectures gekeken en de quizzes gemaakt. Ik vond het erg leuk en een mooie manier van leren. Op het forum zag ik dat sommigen precies op mijn manier leerden (eerst lezen dan college volgen, nog meer nadenken en dan de toetsen doen) en anderen precies andersom, zij volgen een college, lezen soms niets en soms twee keer). Sommigen begonnen meteen aan het essay, anderen begrepen nog lang niet waar het over moest gaan. En met Coursera kan dat ook allemaal, je eigen volgorde bepalen. Binnen de tijd van de cursus natuurlijk, deadlines: anders gebeurt er niks!
Ik heb geen idee hoeveel mensen er meededen met deze cursus. Honderden of duizenden, in de voorstel-draad op het forum zag ik veel mensen uit Singapore (waar professor Holbo deze MOOC ook als eerste helft van een regulier semester op zijn universiteit gebruikt), mensen uit New York die samen een studiegroepje gingen oprichten, een enkeling uit Nederland en verder zo’n beetje alle landen met enigszins internetverbinding.
Ik was heel benieuwd hoe dit zou gaan, ook het uiteindelijk ‘geautomatiseerd’ nakijken van ‘vrije tekst’. Nou, door ons zelf dus! Je essay moet worden geüpload, wat direct een duidelijke grens aan het aantal woorden stelt. De criteria aan de hand waarvan wordt beoordeeld zijn ook duidelijk. In dit geval zou je voor vijf onderdelen ieder twee punten kunnen verdienen. Het is een filosofie-cursus: de criteria waren passend: twee punten voor het naar voren brengen van een idee, twee voor het beargumenteren ervan, twee voor het zelf tegenspreken ervan, twee voor de focus in je essay en twee voor het doen-wat-je-zegt in je essay.
Na de upload-deadline krijg je vijf essays (meer mocht ook) voorgeschoteld van klasgenoten die je aan de hand van dezelfde criteria moet beoordelen. En zo wordt ook jouw essay beoordeeld.

Het lezen van de essays van anderen was natuurlijk erg leuk. Waarschijnlijk ook heel leerzaam.
Het lezen van Plato ook, in ieder geval had ik het nog nooit gedaan en is het zo ‘logisch’ dat je Plato overal om je een gaat zien. Het verdwijnt ook weer als het langer geleden is, ik kan nu niet zo strak als twee maanden geleden vertellen waar Eutyphro over gaat (ik geloof over of je je vader zou aangeven als hij iemand heeft vermoord) en hoe die andere twee dialogen heten. Ik ben niet zo goed in exacte kennis en feitjes, dat zal ik ook niet worden. Met de colleges van professor Holbo met zijn droge humor heb ik me goed vermaakt en ik houd van zijn Wikipedia-promotie-praatjes.

Coursera heeft nu, net nu, een Android-app ontwikkelt. Het is goede timing. Kan ik straks een volgende Coursera-course uitzoeken. Want puber of ouder, een stuudje zal ik wel altijd zijn.

Jongeren en dokters: dubbele kansen?

Vanavond was ik bij een debat over de vraag of jongeren nog wel de toekomst hebben. Het was een debat georganiseerd door Sphinx, Code043 en de Jongerenraad Maastricht. Meer een gespreksavond, begeleid door Arie Boomsma.

Er waren veel jongeren, er waren ook ouderen (ouders, professionals).
Op de een of andere manier kwam de discussie steeds vaker terug op de tegenstelling tussen (kans)rijk en arm, de jongeren die in identiteitscrisis nog maar een gap year doen (werken en dan reizen) en de jongeren die werken om hun ziektekostenverzekering te betalen of niet eens worden aangenomen omdat ze ‘niet genoeg ervaring hebben’ (voor afwasser). Waarbij de eerste groep er van overtuigd bleek dat zij het ook niet makkelijk hebben en de laatste groep dat zij kansen niet eens kúnnen zien omdat ze zo sterk bezig zijn met overleven.
Iedereen ként wel iemand, was een opmerking. Ja, en je moet wel om hulp dúrven vragen. Iemand heeft in ieder geval ouders.
Maar zelfs dat was niet waar: “Niet iedereen heeft de luxe van ouders te hebben. Ik zorg meer voor mijn moeder dan zij voor mij.”
We zouden allemaal wat meer voor elkaar moeten doen misschien? Instemmend gemompel.

Er was ook een mevrouw die een lijst van zeker twintig jongeren heeft die allemaal om en nabij 18 jaar zijn en niemand hebben die zich om andere dan professionele redenen met hen bezig houdt. En daar dus binnenkort mee stopt, met het kennen van die jongeren, omdat die dan 18 jaar wordt. Dan stopt de hulp. Ze daagde het publiek uit om zich te melden om ieder één jongere te kennen, er voor diegene te zijn. Volgens mij was ze er slechts twee kwijt aan het eind.
Zomaar iemand helpen, dat klinkt net zo makkelijk als ‘je eigen kracht vinden’. Hoe doe je dat? Kun je dat wel? Wat als het niet goed gaat of als je het niet kunt, hoe houd je dan je belofte? Ik denk dat dit soort gedachten mensen tegenhoudt. Doodeng om je zo *komt ie weer* kwetsbaar op te stellen tegenover iemand die je niet kent en die waarschijnlijk uit een heel ander deel van de maatschappij komt dan jij kent. Ander leven. Want bovendien: waar vind je iemand die jou hulp kan gebruiken? De werelden zijn gescheiden, zo lijkt het.

Maar goed, toen ik daar zo zat, of beter toen ik naar huis fietste, toen dacht ik aan de co-assistenten die ik begeleid. Wat ik hen in ieder geval wil meegeven is een blik in dat stuk maatschappij. Een stuk dat je als (aankomend) arts vaak niet kent. De meeste studenten immers, komen daar niet vandaan. Die hebben een leven gehad wat maakte dat zij het konden redden tot op de universiteit. Terwijl onze patiënten, onze cliënten, degenen waar het om gaat die wij als artsen en collega’s moeten ondersteunen en coachen om hun ‘eigen kracht’ te vinden en daarmee voor zichzelf te zorgen, die komen uit deze groep van kansarmen. De patiënten die daar niet vandaan komen, die redden zich vaak wel als ze met hun recept de spreekkamer verlaten. Of ze vragen iemand om hulp, inderdaad.
De huisarts heeft er oog voor, de psychiater vaak. Maar ook de specialist in de tweede en derde lijn én de aios of aankomend specialist zien deze mensen, maar ze zíén ze niet altijd, als je begrijpt wat ik bedoel.

Via Coach4U ben ik een paar jaar geleden in contact gekomen met een jongere die zoiets zocht. Ik vond het ook kei spannend. Beetje eng. Was het niet natuurlijk, en zelfs nu het zo niet-goed met haar gaat dat ik haar niet kan helpen, kan ik haar bellen en helpt het haar dat ik haar ken. Gaat om erkenning.

Zouden we in de studie geneeskunde, liefst in het eerste deel als de studenten nog jong zijn, een maatschappelijke stage kunnen bouwen? Kunnen we geneeskundestudenten inzetten de hand te reiken aan jongeren van hun eigen leeftijd maar een heel andere leef-tijd? Zoals in Amsterdam studenten als tolk werden ingezet in het ziekenhuis, zoiets. Misschien kunnen er studiepunten tegenover staan.

En weer: misschien bestaat het al ergens, wie biedt? Of wie helpt?